Frustratie april 15, 2008
Zo, mijn hermeneutiektoets is voorbij. En ik ben gefrustreerd. Echt. Niet van de toets. Die viel me alles mee. Ok, waarschijnlijk had ik een beter cijfer gehaald als ik vanochtend niet om half 7 de wekker had uitgedrukt zodat ik verder kon slapen in plaats van nog even te leren, maar toch. Ik kon er wel iets mee. Een kantje volschrijven over waarom we ook hermeneutiek nodig hebben om de Bijbel uit te leggen, naast de Heilige Geest: prima. Niks aan de hand. Laat Wiets maar pennen. Daar zit mijn frustratie niet.
Waar dan wel, vraag je je misschien af. Dat zal ik je haarfijn uitleggen. Ik ben er opnieuw in bevestigd dat ik nooit in een übertraditionele kerk zal passen. Mijn surveillant kwam hier wel uit. Ik weet het zeker, hoewel hij het niet letterlijk heeft verteld. Prima, niks mis mee, maar moet je dan wel bij evangelische mensen gaan surveilleren? Ja, want die zwaaien wel eens vriendelijk naar klasgenoten. Ja, dat doen ze in de kerk ook wel eens. Nee, meneer kan mijn grapje over zwaaidende evangelischen niet waarderen. Geen respect voor het Woord, zegt u? Of ik netjes wil gaan zitten tijdens de lezing van de heilige Schrift? Prima. Wiets gaat netjes zitten, ik ben de beroerdste niet, ieder zijn ding. Toen las meneer de surveillant een gedeelte over een lachend gezicht dat het hart van een mens verheugd. Ik wou bijna vragen waarom hij dan mijn vrolijkheid wou beteugelen. Of mijn lachende gezicht zijn hart dan niet verheugde? Zou dit dan allegorisch zijn bedoeld? Je moet het geestelijk zien, die lach. Toen kwam de zin dat we terechtwijzing en vermaning moeten liefhebben. Dus dacht ik, blij en onderwerpend als ik was, dat hij nu niets meer tegen me kon hebben, ik zat netjes te luisteren en was niet meer aan het rebelleren geslagen. Prima toch?
Toen hij het Boek der Boeken dichtsloeg, keek hij me aan. Zijn ogen staarden priemend in mijn richting. Ik keek voorzichtig om me heen. Wat was er aan de hand? Verlangde hij hoofdbedekking van mij tijdens de schriftlezing? Moest ik mijn handen vouwen, mijn ogen sluiten? Knielen? Serieuzer kijken? Keek hij op me neer, omdat ik mij niet als een echte bijbelse vrouw gedroeg? Wat was er?
Zijn stem klonk gevaarlijk ingehouden boos. Hij was inderdaad op mij gericht. Want wat bleek?! Wiets had koffie gedronken. Tijdens de schriftlezing. Hoe ik het in mijn hoofd haalde, vroeg hij. Of ik dat in de kerk ook deed? Het bleef stil. Blijkbaar verwachtte hij antwoord. ‘Ja, toevallig doe ik dat wel’, antwoordde ik, me niet laten kennen. Daar wist hij even geen raad mee. Misschien realiseerde hij zich dat die evangelischen net zo verdorven waren als hij altijd al had gedacht. Bevestigde ik zijn beeld. Ik was tenslotte een christen uit de heidenen, enkel door genade gered, buiten het verbond om. Misschien rechtvaardigde dat mijn gedrag. Ik hoop het maar. Meneer was flink boos. Ik kon er niets aan doen, ik vroeg me af of hij kleinkinderen had. Hij bevestigde niet mijn beeld van een lieve opa.
Tijdens de toets bezinde ik mij. Je rechterwang toekeren, zegenen wie je smadelijk behandelen, je kent het. Dus toen meneer mij de toets gaf en als 1 van de weinigen ‘alsjeblieft’ zei toen hij bij mij gearriveerd was, kwam alles in mij in opstand, van binnen bulderde ik en barste ik uit mijn voegen. Vriendelijk antwoordde ik: Dank u wel, en ik glimlachte fier. Met de controle van mijn afwezigheid werd, ook als 1 van de weinigen, mijn schoolpas uitgevoerd bestudeerd. Misschien vroeg hij zich af of hij mijn gezicht voorbij had zien komen in het kerkenblad, bij het rijtje ‘hedendaagse ketters’. Misschien wou hij controleren of ik niet mijn identiteit had vervalst, dat ik vermomd als een wolf in schaapskleren de CHE was binnen gedrongen. Dit was natuurlijk niet zo. Mijn foto is zo mogelijk nog braver dan ikzelf. Vanaf toen had ik hoop. Hoop dat hij me met rust zou laten. Dat ik vrijuit zou mogen gaan. Maar nee. Met haviksogen hield hij me in de gaten. Naast me stond mijn koffiebeker met een lieveheersbeestje. Ik durfde er enkel vanuit mijn ooghoeken naar te kijken. Misschien kreeg hij anders de verdenking tegen mij dat ik een spiekbriefje had gekalkt op de vleugels van het arme beest. Niet te lang naar een klasgenoot kijken, dat zou zeker verdacht zijn. Niet te lang naar buiten kijken, want dan zou hij het beeld bevestigd krijgen dat ik niet geleerd had en verliefd naar buiten staarde. Wat kon ik anders doen, dan rustig mijn toets maken?
Vervolgens stond ik op. Ik pakte mijn pennen, koffiebeker, flesje water en het blaadje. Ik keek hem aan en met alle vriendelijkheid die ik nog had, gaf ik het hem: Alstublieft. Nog even hem bedanken voor zijn vriendelijke surveillance? Zou ik hem nog succes wensen voor de rest van de dag? Zou ik dat vurige kooltje pakken en op zijn grijze haren deponeren?
Nee, toch maar niet. Dat doe je niet, tijdens het maken van een toets Hermeneutiek. Die kolen, die zijn enkel figuurlijk. Het hoofd moet je niet letterlijk nemen. Dus heb ik hem maar stilletjes gezegend. Een beetje rebels misschien, dat wel. Maar zegen is zegen. Toch?